Golfpro’s – van allrounders tot specialisten

De eerste Golfpro’s waren allrounders die als greenkeeper werkten maar ook ballen en clubs maakten. Nu en dan speelden ze een wedstrijd. Het was een beroep met een lage status. Maar dat is verleden tijd. De laatste jaren hebben veel instructeurs zich in verschillende onderdelen van het golf gespecialiseerd. Sommigen zijn zelfs net zo bekend als hun leerlingen en hebben eigen sportmerken.

Traditioneel was er altijd een strikte scheidslijn tussen amateurs en professionele golfers. Dit had zijn oorsprong in de klassenmaatschappij.

Golf was alleen voor welgestelde mensen. De eerste professionele spelers waren ‘arbeiders’ die als greenkeeper en caddie werkten, clubs en ballen maakten en demonstratiewedstrijden speelden. Ze werden betaald voor hun diensten en zodoende werden ze beroepsspelers met een zeer lage status. Ze mochten niet met gewone amateurs spelen, alleen met elkaar, en ze werden niet tot clubhuizen toegelaten.

Dat nam niet weg dat deze eerste professionals bekendheden waren in hun tijd, net zoals de huidige golfpro’s. In de 19e eeuw staken twee pro’s erboven uit: Allan Robertson (1815–1859) en Old Tom Morris (1821–1908). Allan Robertson was een ballen- en clubmaker in St. Andrews en de beste speler van zijn tijd. Bovendien de eerste beroepsgolfer.

Hij was ook de eerste die op de Old Course onder de 80 slagen bleef in een wedstrijd in 1858. Door Allans toedoen werd de green van de Old Course groter gemaakt om de sport populairder en toegankelijker te maken voor het brede publiek.

In zijn werkplaats in St. Andrews fabriceerde Allan Robertson pluimballen en golfclubs die hij over de wereld exporteerde. Old Tom Morris was zijn assistent.

Pluimbal en guttapercha-bal

De pluimbal was de oorspronkelijke golfbal die van leer en ganzenveren werd gemaakt. Een bal bevatte evenveel veren als er in een hoge hoed gingen. Deze pluimballen vlogen niet erg ver en waren ook gevoelig voor missers. Ze haalden hooguit 130 meter met wind mee.

Ballen waren handwerk. Een goede ballenmaker werkte per dag 4 à 5 ballen af, waardoor ze bijzonder duur waren. Dit bevestigde het imago van golf als tijdverdrijf voor de hogere klassen. In 1844 produceerde het bedrijfje van Allan Robertson 2.456 ballen. Aangezien de zaken zeer goed liepen, was het niet zo vreemd dat hij de komst van de guttapercha-ballen in 1848 met alle middelen een halt probeerde toe te roepen. Zo kocht hij alle guttapercha-ballen op die hij kon vinden en verbrandde ze.

Maar het was vechten tegen de bierkaai. De guttapercha-bal van rubber was veel goedkoper om te fabriceren. Zodoende werd golf een sport voor iedereen en niet alleen voor de rijken.

Vanaf het midden van de 19e eeuw werden er veel golfclubs opgericht. Omdat iedereen met dit nieuwe type bal wilde leren spelen, deden de clubs een beroep op de pro’s om hun leden te helpen.Een 19e-eeuwse golfles bestond alleen uit speel-aanwijzingen op de baan. De pro sloeg een bal en de leerling moest proberen de slag na te doen.

In 1857 verscheen het eerste handboek over golf, ‘The Golfer’s Manual’ van H.B. Farnie.

Rond 1900 werd de eerste echte golfles gegeven op een plek die veel weg had van een driving range, maar waarschijnlijk wat meer van de golfbaan gescheiden was. De caddie plaatste de ballen bij de speler en rende vervolgens de baan op om ze terug te halen. De eerste ‘emmer’ bevatte naar verluidt twaalf ballen. Of misschien was de eerste les gewoon een speelpartner die met een belerend toontje zei:

“Kom, zal ik even laten zien hoe het moet...”

Old Tom Morris leeft voort

En Old Tom Morris dan? Old Tom Morris was een fantastische speler die vier keer de British Open won. Hij wordt beschouwd als de vader van het moderne golf.

Hij woonde in Prestwick en ontwierp in 1851 de Prestwick Golf Club, waarvan hij ook de pro en greenkeeper werd. Een spoorweg, destijds het voornaamste vervoermiddel, liep dwars over de baan, maar dat kon de ontwikkelingen niet stuiten. Het was normaal dat golfbanen in de nabijheid van spoorwegen werden aangelegd. Je zou kunnen zeggen dat de trein de groei van de golfsport aanzienlijk heeft versneld.

In 1860 vond in Prestwick de eerste wedstrijd plaats die alleen open was voor professionals en als de eerste British Open wordt beschouwd. Er waren acht deelnemers en Willie Park Sr. uit Musselburgh won.

Het jaar daarop behaalde Old Tom Morris de overwinning.

Old Tom Morris werd later greenkeeper en pro van de Royal and Ancient Golf Club en hij opende een golfwinkel nabij de 18e green van de Old Course. Het was een grote winkel annex werkplaats, waar in de beste jaren maar liefst twaalf mensen werkten. De Old Tom Morris Golf Shop ligt nog steeds op dezelfde plaats en blijft een gevestigde waarde.

De belangrijkste bijdrage van Old Tom Morris aan het golf is echter het bestrooien van de greens met zand. Dat concept had hij bedacht toen hij de Carnoustie Golf Club ontwierp.

Het grote triumviraat

Daarna kwam het ‘grote triumviraat’ met John Henry Taylor, die in 1894 als eerste Engelse profspeler de British Open won, Harry Vardon, die in 1900 een promotiereis naar de VS ondernam, de US Open won en nog eens 80 wedstrijden speel-de, waarvan hij er 70 won, en James Braid, die zich in baanontwerp specialiseerde en onder andere de banen van Gleneagles en Nairn aanlegde. Met z’n drieën domineerden zij de British Open, die ze 16 keer wonnen in de periode van 1894 tot 1914.

De ‘Vardon-grip’ of ‘overlappende grip’ is vandaag de dag nog steeds de belangrijkste golfgrip.

In de VS zette een nieuwe profspeler, Walter Hagen, het golfwereldje op zijn kop. Hagen was naar toenmalige begrippen opzichtig gekleed en speelde golf alsof hij uit een totaal andere wereld kwam. Hij was ook de eerste Amerikaan die de British Open op zijn naam schreef. Dat was in 1922 op de Royal St. Georges. Omdat hij niet onder de indruk was van het prijzengeld, gaf hij de cheque aan zijn caddie...

In 1923 werd Walter Hagen tweede in Troon. Mensen die profspelers minderwaardig vonden en niet wilden dat ze het clubhuis betraden, leerde hij een lesje. Het wedstrijdcomité nodigde Hagen uit tot de prijsuitdeling, die in het clubhuis plaats zou vinden. Hagen weigerde echter vriendelijk en nodigde iedereen, zelfs het publiek, uit tot een eigen feestje in een nabijgelegen herberg.

Daarna kwamen veel grote pro’s van wie Bobby Jones, Gene Sarazen, Henry Cotton, Sam Snead, Ben Hogan en Byron Nelson kunnen worden genoemd.

Zij waren allemaal autodidacten.

 

”Modern Fundamentals of Golf” 

Ben Hogan wordt als de allergrootste speler beschouwd. Hij geloofde in een herhaalbare swing met een beperkt aantal onderdelen die correct en in de juiste volgorde moeten worden uitgevoerd. Zijn ‘Five Lessons, Modern Fundamentals of Golf’ uit 1957 is waarschijnlijk het meest verspreide golfhandboek ter wereld.

Dat pro’s autodidact moesten zijn veranderde met de komst van Jack Nicklaus. Sinds zijn glansperiode hebben veel instructeurs eigen merken kunnen lanceren dankzij het trainen van een bekende speler. Denk maar aan Jack Grout die Jack Nicklaus trainde, Butch Harmon die Greg Norman en Tiger Woods trainde, David Leadbetter met Nick Faldo en Henri Reis met Annika Sörenstam.

David Leadbetter is inmiddels een instructie-goeroe die overal ter wereld trainingsclubs heeft opgericht als onderdeel van zijn David Leadbetter Golf Academy.

Sommige instructeurs hebben zich in een bepaald deel van het spel gespecialiseerd, bijvoorbeeld Dave Pelz is expert in het korte spel en het putten och Bob Rotella heeft zich toegelegd op mentale aspecten.

Harry Vardon schijnt ooit gezegd te hebben: “Geef me een man met kleine handen, grote voeten en kleine hersenen, en ik maak van hem een golfwereldster.”

Dat klopt niet helemaal. Er is een namelijk ook nog zoiets als balgevoel en talent...